zondag 11 juli 2010

Te voet naar huis


11 juli 2010

Met 2 uur vertraging ben ik om 5 uur met de bus in Breda, de eerste Nederlandse stad in 4 maanden. Raar dat ik hier gewoon in mijn eigen taal de weg kan vragen naar de refugio op het Begijnhof, mijn slaapplek voor die avond. Tussen Breda en 's-Hertogenbosch liggen de laatste kilometers van mijn camino, 52 om precies te zijn. Al in Santiago teruglopend van het busstation had ik bedacht om ook dat laatste stuk te lopen, te voet van en naar huis, dat leek me een mooie manier. Het geeft me wat langer de tijd om te aarden op Nederlandse bodem voor ik thuis ben. Ook haalt het de snelheid van de afgelopen dagen uit de bus weg, niet mijn favorietste deel van de pelgrimstocht. In Breda is het koopavond en oranje, ik zal het weten hebben ze gedacht, het is een klein vol land en we zitten in de finale...... Iedereen wil natuurlijk nog wat nieuws oranje scoren voor het feestje van zondag. Het begijnhof daartegen is een oase van rust in de binnenstad. Maria van de refugio is een fervent Santiago en Rome pelgrim op de fiets en ze verteld dolgraag over haar ervaringen. De meeste pelgrims komen bij haar aan op hun eerste of tweede dag, voor mij is het dag 126. Op de begijnhof wonen volgens de oude regels alleen maar dames alleen, alsof de tijd er heeft stilgestaan. De ingang is door een oude poort die om 6 uur in de avond sluit, en daarna ligt een grote kruidentuin met daaromheen zo'n 60 huisjes. Er staat een kapel op het einde van de hof en in de muur ernaast is een stenen maria ingemetseld. Het begijnhof ligt vlak naast het kasteel van de Breda, het woonhuis van de eerste Nassau's die er ook in de kerk begraven liggen. Maria heeft gerekend op het avondeten en na een douche die ik heel hard nodig heb na 2 dagen bussen, schuif ik aan aan tafel in de ''voortuin''. In niets lijkt het op de pelgrimsmaaltijden die ik de afgelopen maanden voorgeschoteld kreeg. Eerst is er pompoen/koriandersoep en daarna Mihoen met groenten en kip met een flesje zoetzure saus van Appie-Happie, toe is er vanillevla met aardbeien. Na het eten moet ik in de stad op zoek naar een pinapparaat. In tegenstelling tot in Spanje waar iedereen bijna alles nog contant betaald en er dus op elke hoek zo'n pin-ding staat, kan ik hier in de binnenstad alleen bij de supermarkt terecht. Alles wordt in Nederland gepind in de winkels zelf, daar zal ik weer opnieuw aan moeten wennen denk ik, de afgelopen maanden leefde ik op een streng en overzichtelijk geld schema, pinnen , weten wat en wanneer, uitgeven, tellen en opnieuw pinnen.
Op een andere manier is het geldverkeer op een pelgrimstocht niet te overzien, daarbij ben ik geen enkele kleine epicerie of tienda tegengekomen met een pinapparaat!!
Op de terugweg geef ik mezelf in de stad een ijsje en loop zo snel mogelijk terug naar de rustige begijnhof. Daar kijk ik in het boekje van Maria van vrienden op de fiets naar een slaapplek in Loon op Zand voor de volgende dag, ik bel en kan er de volgende dag vanaf 5 uur terecht. Meer dan vroeg genoeg want de dag erna is zo een beetje 35 km, en het is warm, on-Nederlands warm. Na een ontbijtje buiten vertek ik veel te laat om 10 uur. Foute inschatting, het is dan wel weer thuis maar het voelt vandaag als tropisch, de thermometers onderweg geven 35 graden aan en ik loop op het heetst van de dag. Ook in Nederland zijn er volop mensen die met alle liefde en plezier mijn waterfles willen vullen. Ik krijg kersen in Oosterhout en Cola in Vaart en mag in Kaatsheuvel onder de tuinsproeier en krijg er een kop koffie. Iedereen is nieuwsgierig naar ''wat doet zo'n meisje met zo'n grote rugzak?''en mijn verhaal van 3500 km naar Santiago en nu op weg terug naar huis maakt indruk en verbazing.
Rond 6 uur kom ik in Loon op Zand aan waar me een meer dan warm welkom wacht, bij pelgrims van 15 jaar geleden. De fotoboeken en de wijn staan al snel op tafel en ik zie dat ook zij zienderogen genieten van alle herinneringen die ze me vertellen over hun tocht. Tot 12 uur 's-nachts kunnen we buitenzitten en voelt het als een verlenging van de camino in Spanje. Met een beter gevoel kan ik de volgende dag niet op weg naar huis, en ook niet met een beter ontbijt trouwens. Dit keer is de prijs een kaart uit 's-Hertogenbosch, en een foto voor vertrek bij hen in de tuin.
Thuis voelt nu heel dichtbij, 18 km zeggen de anwb paaltjes, maar ik geef mezelf de tijd. Met de thuisblijvers spreek ik af om 3 uur op mijn plek van vertrek, de Wilhelminabrug in de stad. Mijn tocht begon er op 1 maart bij de wegwijzer naar Santiago met +/- 2800 km en nu wil ik er ook graag eindigen. Tussendoor drink ik een koffie met taart bij de Rustende Jager, klets ik met een groep kinderen en krijg applaus voor mijn pelgrimage en koel ik af in het water van de IJzerenman in Vught. Om 2 uur is het dan echt tijd mijn laatste 5 km te lopen, eerst nog een half uurtje door Vught en de Lunetten om om half 3 de toren van de Sint-Jan weer te zien.
Bij de brug wachten papa en mama, mijn zus en broer en heel veel familie en beste vrienden me op met tranen en bloemen en gejoel en geklap.
Ik ben weer thuis.... Lopens en te voet!!!!!

maandag 5 juli 2010

Lopen naar het einde van de wereld


5 juli 2010
100 Kilometer is het naar Finisterre, het einde van de wereld. Finis Terraea... daarna hield het op en zakte de zon weg van de aarde. Al sinds de Romeinse tijd zijn er pelgrims op deze oude Keltische route. In heel Galliscia zijn er tekens van Kelten te vinden maar zo dicht bij de zee zijn het er nog veel meer. Soms voelt het er zelfs meer Engels en Noors dan Spaans. Overal zijn er menhirs en grafheuvels en op veel boerderijen zie je Keltische beschermtekens boven de deur. Honderd kilometer in 3 dagen, en ik loop op dag 1 naar Neigrera, een stadje met een kasteel, en een kleine stadsmuur. Het nieuwe gedeelte ligt links en het oude gedeelte rechts van de rivier. Gelukkig ligt de albergue ook aan de rechterkant. Plotseling zijn de albergues weer veel kleiner er is plaats voor 20. Veel pelgrims nemen in Santiago de bus naar Finisterre en dat is jammer want de camino is hier prachtig. Veel bos en oude geplaveide pelgrimspaden. In dit gebied staan heel veel eucalypthus bomen en mint, en dus loop je de hele dag een beetje met een Dampo geurtje om je heen. Dag 2 is naar Olveira, met een rijtje gerenoveerde oude huizen en schuren als albergue. Het is klein maar heel mooi en de mensen zijn er supervriendelijk. In het enige restaurantje eten we de beste pelgrimsmaaltijd sinds weken. Allemaal streekgerechten en niks uit een potje of pakje. Op de tafel voor 6 personen staan 3 flessen wijn, en we krijgen na het toetje een lekkere kop kruidenthee. Met een lekker rozig gevoel gaan we naar bed. Om de volgende ochtend keihard wakker te worden geschut uit onze pelgrimsdroom. Het regent pijpestelen, en we moeten deze dag 42 km naar Finisterre. Na een ontbijt trekken we dapper onze regenpakken aan en gaan over een mooi pad op weg. Gelukkig leid de omgeving ons af van de regen, het is een van de authentiekste delen van de camino. Na een uur of 5 lopen stopt het met regenen en kunnen de regenpakken en poncho's op de rugzak. Tegen de tijd dat we de zee zien schijnt voorzichtig een zonnetje. Het is een fantastisch gevoel om de atlantische oceaan te zien na zo veel verschillend land.                
De pelgrims in de middeleeuwen liepen naar het einde van de wereld na Santiago om er in de zee ' opnieuw geboren' te worden. Ze verbranden hun oude kleren op het strand, en zochten er een St-Jacobsschelp om als een herboren pelgrim terug naar huis te lopen. Op het einde bij de rotsen staat het 0,00 km paaltje en dan is de camino echt op en over. Nog steeds verbranden pelgrims nu symbolisch wat van hun gedragen kleding. Daarna is het wachten op de zonsondergang en dan is de reis echt over. De 3 km die je daarna terugloopt naar het dorp Finisterre zijn de eerste van een nieuwe camino. Eentje die voor de rest van je leven is en nooit meer stopt. De camino is niet over bij 0,00 maar begint er!!

zondag 20 juni 2010

Stenen!.......


20 juni 2010
Foncebadon – Molinaseca – Villafranc del Bierzo

De ene berg is de andere niet en dat geld zeker voor de laatste dagen. Eerst ging ik naar Cruz de Ferro en sliep in de staartje van deze berg, in Molinaseca. Daarna liep ik via Villafranca naar La-Faba om daarna naar O-Ceibrero te lopen. Dan is het gedaan met de bergen op mijn tocht. Allemaal gehad! De Ardennen, de Morvan, een stukje Alpen, het Central Massief, de Pyreneeen, Picos de Europa en de Montes de Leon.

Cruz de Ferro is een van de meest indrukwekkende plaatsen waar je als pelgrim langskomt, het hoogste deel op de Camino Frances. Op deze plek laten pelgrims al meer dan duizend jaar stenen achter die ze meedragen van thuis. Ze staan symbool voor de dingen die ze achter zich willen laten. Middenin staat een houten paal met een ijzeren kruis. Het Cruz de Ferro, al heel vaak opgehoogd omdat de stapel stenen maar bleef groeien. Het zijn inmiddels niet alleen maar stenen die worden achtergelaten maar ook briefjes, foto's en vanalles anders wat pelgrims willen herdenken. Ik zoek tervergeefs naar de stenen van vorige keer maar ze zijn waarschijnlijk al verdwenen onder een heleboel andere.


Ook dit keer heb ik er 3; een van mama; de maansteen uit de ring die ik bij heb, een steen van mezelf, en de steen van het herdenkingskruis van de gestorven Nederlander na St-Jean. Ik leg ze bij elkaar op een grote steen, en weet dat ze hier voor altijd zullen blijven liggen. Na Cruz de Ferro is er nog een heel mooi stuk bergpad naar Majarin, waar Tomas een bijzondere tempeliersherberg runt. Het is er vol met dieren, en de koffie is er altijd klaar. Een goede plek om in de ochtend nog een beetje wakker te worden na een niet al te beste nacht. De camino brengt me daarna door allerlei kleine dorpjes, waarvan ik er in een middageet. In de kleine tienda van Victoria worden super boccadillo's gemaakt. Per stuk neemt ze de tijd om ze te maken, en iedereen wacht rustig in de rij. Buiten is er een soort terrasje waar we in de zon kunnen eten. Na een half uurtje komt ze checken of het allemaal lekker was, en glazen brengen zodat we het sap niet uit het pak hoeven drinken. Na Acebo is het nog maar een klein stuk naar Molinaseca, daar ga ik vandaag stoppen heb ik in de bergen besloten. Niet naar de stad, te veel te groot en te veel mensen. Molinaseca ligt net nog in de kloof en de bergen zijn bijna rondom. Er stroomt een riviertje, met een strandje eraan met een terras. Een betere plek kun je je niet bedenken na een wandeldag. Met mijn voeten in het water drink ik een vino tinto. De albergue in Molinaseca is klein maar ruim, er is maar plaats voor 30, en voor de verandering zijn er een keer geen stapelbedden. Na een slechte nacht in Foncebadon had ik waarschijnlijk overal goed geslapen maar hier is het wel heel erg rustig. Niemand maakt de hele nacht maar enig geluid, geen gesnurk, niks!! Boven mijn bed heb ik een dakraam met de beste sterrenhemel in tijden. Het heet hier niet voor niks de weg onder de sterren...

maandag 7 juni 2010

Wat een Kippenhok...


7 juni 2010
Najera – Santo Domingo de la Calzada

De camino naar Santo Domingo de la Calzada is al even mooi als de dag ervoor. Het landschap lijkt hier eindeloos en ononderbroken door te rollen. Al vroeg vertekken we uit Najera en klimmen meteen via een steile weg omhoog die een kleine Grand-Canyon lijkt, uitgesleten rode rotsen. Het is een dik uur later als ik op het terras in Arzofra ontbijt met mega grote chocoladebroodjes en café solo. Langzaam aan druppelen alle pelgrims het dorp binnen en het terras op. Geen van allen hebben ze ontbeten in de albergue ''waar ze zo snel mogelijk wegwilden''. Het is inmiddels tegen 8 uur en al heel erg warm, de etappe is vandaag niet echt lang maar na 2 uur moet je echt uit de zon zijn. Goed doorlopen en veel water drinken, en misschien nog een pauze in Ciruena, dan zou ik er om 12.00 wel moeten kunnen zijn.

Om 10.00  loop ik tegen de nieuwe golfbaan en nieuwbouwwijk aan en de temperatuur is inmiddels 32•c. In het oude dorp, nog 1 km verder is een terras met rode parasollen en ik drink er een ijskoude Cola. Als ik daarna terug hellingop, hellingaf de camino weer op loop schrik ik me rot, een hele karavaan pelgrims voor me op de weg in de verte. Waar zijn die ineens vandaan gekomen, en waarom gaan ze zo langzaam? Het blijken geen pelgrims maar een schoolklas uit Logrono die een stukje camino lopen en daarna de kathedraal en het klooster bezoeken, en ik, ik ben een echte pelgrim op hun weg. Ze vragen wat over mijn tocht en ik geef hun in mijn beste Spaans antwoord, tot een van hen vraagt, do you speak English? Als ik daar ja op antwoord ben ik nog interesanter, ze willen allemaal heel graag laten horen wat ze in de Engelse les leren. Als ze horen hoe ver ik ben gelopen, beland ik al voor Santo Domingo in een kippenhok....de vragen komen van alle kanten, of ik niet heel moe ben,hoe ik de weg weet, waar ik slaap en eet...ze kunnen zich gewoon niet voorstellen dat dat zo maar kan, lopen vanuit Nederland. Als hun leraar niet net zo enthousiast reageerd als zij, vooral omdat hij 40 kinderen veilig de stad in moet loodsen, zijn ze hevig teleurgesteld.
Hij moet ze op school maar eens wijzen waar Nederland dan precies ligt, en of hij denkt dat hij dan ook zo ver kan lopen!? Als ik voor de pelgrimsherberg sta zouden ze het liefst mee naar binnen gaan om te kijken, maar ze moeten door naar de kerk, ik krijg de meeste buen camino's tegelijkertijd te horen. Ik ga naar binnen en zij gaan door, het pelgrimsproject is een succes. In de albergue worden de pelgrims hier met heel veel vriendelijkheid ontvangen, de albergue is splinternieuw en lijkt wel een pelgrimshotel. Alle vervelende ervaringen van de andere twee albergues verdwijnen als sneeuw voor de zon. Het broederschap verricht hier al 900 jaar wonderen, onafgebroken ontvangen ze hier pelgrims, eerst in het oude pelgrimshospice, dat nu een superluxe Parador hotel is, en sinds 2009 in hun nieuwe albergue vlak naast de kerk. De kamers zijn er ruim, er zijn ontelbaar veel toiletten en douches, en een goed uitgeruste keuken, dus kunnen we ook weer een keer zelf koken. Mijn was gaat weer eens een keer in een echte wasmachine, en komt er schoon en frisruikend uit, de zon en wind doen de rest van het werk.

Op het heetst van de dag bezoek ik de kerk met het klooster en het museum, lekker koel! In de kerk staat de tombe van Santo Domingo de la Calzada, waar deze plaats zijn naam aan leent. Domingo en Juan waren twee monniken die in rond 1000 heel erg begaan waren met de pelgrims. De weg was toen tussen Logrono en Burgos heel erg gevaarlijk en door de vele rivieren soms onbegaanbaar. Ze besloten de handen uit de mouwen te steken en begonnen met het bouwen van houten bruggen en kapten bos en legden er wegen aan.  Ze werden er in de middeleeuwen zo beroemd mee dat ze als dank heilig zijn verklaard, en ze kregen ieder, de een aan het begin, de andere aan het einde, van 'hun' weg hun eigen klooster. Als snel ontstonden daar steden met kerken, en veel handel. Allebei zijn ze in hun eigen stad begraven, allebei in een indrukwekkende kerk. Zij hebben dus ook voor mij de weg geplaveid, en ik steek een kaarsje op bij de tombe van Domingo als dank.
Behalve de tombe van Domingo staat er in de kerk ook een kippenhok, met een haan en een kip. Om Domingo heilig te kunnen verklaren waren er natuurlijk wel wonderen nodig, een er van is deze......

Een jongeman was met zijn ouders op weg naar Santiago en ze sliepen in een herberg. De dochter van de waard zag de jongeman wel zitten maar hij wees haar af. Woedend stopte ze wat zilverwerk uit de herberg in zijn tas, en in de ochtend bij vertrek beschuldigde ze hem van diefstal. De jongen werdt schuldig verklaard en kreeg ophanging als staf. Zijn ouders vertrokken verdrietig naar Santiago en baden daar bij de apostel voor zijn zieleheil. Op de terugweg zagen ze tot hun verbazing en blijdschap hun zoon nog levend aan de strop hangen. Al die tijd was hij ondersteund door de geest van Domingo. Blij als ze waren gingen ze naar de bisschop om hun verhaal te doen. De bisschop die net ging eten hoorde het verhaal aan? En zei; dit verhaal is ongeloofwaardig. Uw zoon is net zo dood als de haan en kip op mijn bord. Toen hij dat zei kregen de haan en kip weer vleugels en sprongen levend op van zijn bord. Om dit wonder te vereren staat er nog steeds een kippenhok met haan en kip in de kerk. Het waarschijnlijk duurste hok wat er bestaat, 12e eeuws gotisch met goud. De haan en kip worden dagelijks gewisseld. Als de haan kraait als je in de kerk bent betekend dat een voorspoedig einde aan je pelgrimage. En wat denk je.......
KUKELEKUU........

zaterdag 29 mei 2010

De bergen over.......


29 mei 2010
Sain-Jean Pied-dePort - Roncesvalles

De dag begint met een heleboel gespannen pelgrims, vandaag is de dag over de Pyreneeen. De hoogste col is 1700 meter en voor bijna iedereen is het de eerste dag. De rugzakken zijn soms nog enorm en de schoenen splinternieuw. Alles wat erin zit is onmisbaar, en moet nu nog mee naar Santiago, in Pamplona gaat weet ik zeker de helft terug naar huis. Een voor een zie ik ze ongeduldig de eerste klim nemen om ze daarna weer in te halen. Ik weet nu hoe ze zijn aangekomen in Roncesvalles, dood en doodmoe, sommige gaan of moeten morgen alweer naar huis. Ik hoorde hier in de albergue dat 30% stopt in Pamplona en 50% van de mensen die hier nu zijn komen niet aan in Santiago.

Voor mij was de dag in ieder geval heel bijzonder, ik ga Frankrijk na 10 weken verlaten en loop vandaag Spanje in, de rood-witte streepjes van de GR worden blauw-gele schelpjes en knalgele pijlen van de camino Frances.

De pas over de Cisa wordt al heel lang gebruikt als oversteek door de Pyreneeen, er gingen Romeinen overheen en Karel de Grote met zijn leger, aan de andere kant in Roncesvalles worden al 800 jaar pelgrims opgevangen in het klooster. De eerste klim brengt me direct naar 500 meter, net St-Jean uit en loopt daarna vrij snel op naar 1100 meter. Een lekkere steile klim maar met 2 rustpunten, Hunto en Orrison, allebei met een refugio met bar, en koffie. Het eerste gedeelte is nog asfalt, maar na 1100 meter ga je het echte bergpad op, en is het klimmen wel minder steil maar moet je goed oppassen waar je je voeten neerzet. De uitzichten die je op deze hoogte hebt zijn fenomenaal, en het landschap prachtig. Overal lopen kuddes met schapen en paarden.  Gelukkig is het deze dag niet zo warm en een beetje bewolkt en dat maakt het lopen wel eenvoudiger dan de hitte van de afgelopen dagen. Na een kilometer of 11 klimmen kom je bij het Mariabeeld van Orrison, net daar voor staat langs de kant van het pad een kruis voor een in 2009 omgekomen Nederlandse pelgrim. In de krant heeft er zelfs een artikel over gestaan dat papa enmama toen voor me hebben uitgeknipt. Ik was in februari 2009 net terug van mijn eerste tocht naar Santiago. Een monumentje als dit maakt het verhaal van toen ineens tastbaar en werkelijkheid. Overvallen in een sneeuwstorm vindt je in dit gebied bijna de weg niet meer, en in februari ben je dan ook nog eens bijna alleen op deze weg. Als ik doorloop is het een raar idee dat hij wat ik nu zie, niet meer gezien heeft. Bij zijn monumentje neem ik een steen mee die ik bij Cruz de Hierro ga achterlaten.
Nog 4 kilometer verder staat het stenen kruis van Thibault, daarna is het nog 3 km naar de grens van Spanje. Weer 4 km verder ga je over de pas van Cisa op 1500 meter hoogte. Bijna heel deze weg is klimmen, af en toe heb je even een vlakker stukje, of een kleine daling maar die zijn weg te strepen tegen de totale klim van 22 km. Inmiddels weet ik goed hoe ik mijn eigen pas en ritme moet vinden en dat maakt het geheel wel makkelijker. Om 1.30 uur sta ik boven op de pas en zie ik Spanje echt onder me liggen met beneden in het dal het klooster van Roncesvalles. Bovenop de pas kun je 2 routes naar beneden kiezen, over de weg of door het bos,de laatste is steiler maar wel mooier. De refugio gaat niet eerder dan 4 uur open en dus kies ik voor de bosoptie, ik heb tijd genoeg. Het eerste stuk is inderdaad steil, maar daarna is het goed te doen, ik loop door een eeuwenoud beukenbos waar het voelt alsof je op hoogpolig tapijt loopt door het dikke pak blad dat er ligt. Via deze weg doe je er iets langer dan een uur over om bij het klooster te komen. Daarna moet ik wachten, in Spanje gaan de albergues vaak pas om 3 of 4 uur open en ik ben er dus te vroeg. Pauze kan nooit kwaad en ik kan er de andere helft van mijn lunchpakket uit St-Jean opeten.


Precies om 4 gaan de deuren open en moet ik in een soort kantoortje een formuliertje invullen, ik krijg een stempel in m'n credential en een bewijsje van betaling om de albergue in te kunnen. In een oude kapel staan achter de deur 100 stapelbedden in een ruimte, dit is massa pelgrimeren, en langzaam tijdens de middag loopt het helemaal vol. De albergue wordt gerund door vrijwilligers van het Nederlandse Sint-Jacobus genootschap, die er telkens per 4 man 2 weken blijven. Beneden zijn de toiletten en douches, en gelukkig ben ik er snel want al snel staat er een flinke rij bij de dames. We moeten reserveren als we willen eten in de bar en vooraf betalen. Na het eten is er nog net tijd voor een koffie want om 10 uur gaat het licht uit, en morgen om 6 uur weer aan. Oei, dat wordt wennen,dit lijkt wel een pelgrims fabriek, oordoppen in en slapen, maar zien wie er morgen nog start.

maandag 24 mei 2010

Heel veel Pyreneeen......


24 mei 2010
Ostabat – Saint-Jean Pied-de-Port

Ineens waren ze er, in het dorp Pimbo was al verteld dat ze met mooi weer te zien zouden zijn. Maar het landschap deze week was zo plat als wat hooguit een beetje heuvelig als in Limburg. Wat je dan allerminst verwacht zijn de Pyreneeen. En nog vreemder om dan te bedenken dat je hier naar toe bent komen lopen.
Nog 1000 km te gaan zo'n beetje en dan ben ik in Fisterra, en nog maar 2 dagen lopen en dan ben ik in Saint Jean Pied de Port, de laatste plaats in Frankrijk. Daarna kan ik mijn hersens met een nieuwe taal verrassen, ik hoop dat ze er in gaan trappen want ze hebben het taalkundig zwaar. De hele dag switchen van Engels naar Frans naar Duits en af en toe ook nog Nederlands, soms praat ik gewoon in de foute taal tegen een persoon. In Navarrenx waar ik nu ben voelt het al heel Spaans maar dat moet ik hier natuurlijk niet zeggen. Hier is het Baskenland  heel erg belangrijk en zijn ze heel trots op hun roots. Vanaf hier klinken de namen van de plaatsen ook niet echt Frans meer, de afgelopen dagen sliep ik in Azacq en Athez en vanaf morgen loop ik naar Aroue en Ostabat. De temperatuur voelt ook meer aan als Spanje het is de afgelopen dagen zeker 30+ graden en het lopen is dan ook vervroegd naar 6 uur. Dan kan je alvast wennen aan de 5 uur vertrek in Spanje. Ik heb het altijd een belachelijk idee gevonden dat pelgrims daar zo vroeg op pad gingen maar nu begin ik het te snappen. Lopen in de brandende zon is geen goed idee.

De wandeldagen waren ook lang de laatste paar dagen allemaal zo rond de 30 km en dan loop je als je om 8 uur weg gaat toch zeker tot 5 uur in de middag in de zon. Op de ene of andere manier red ik het wel maar fijn is anders.



Gelukkig beginnen vanaf hier de enorme velden met zonnebloemen, maïs en granen ook weer plaats voor bos te maken.
En dat geeft toch ook net weer wat meer schaduw. Kouder zal het er niet op gaan worden, al liggen de Pyreneeen nog wel vol met sneeuw ook op de lagere passen.
Vandaag was de route voor het eerst sinds Moissac ook weer mooi van begin tot eind. Ik hou toch veel meer van wat meer berg! De gebieden tussen Moissac en Condom hebben nog wel wat wijngaarden maar daarna tot Aire sur 'lAdour is het vooral intensieve landbouw op enorme akkers. De grond zit hier vol met rivierkeien, dus ik vermoed dat de ooit gletchers van de bergen er een enorm platte vlakte hebben ingesleten met later rivieren. De grond is in ieder geval goed kleiig en vruchtbaar. Sinds de zon weer zo zijn best doet schiet alles op de velden uit de grond. De kleine schrompelige kooltjes die overal stonden toen ik Frankrijk inliep zijn inmiddels uitgebloeide koolzaadvelden die staan te rijpen in de zon. De sprietjes grassig spul zijn akkers met granen geworden. De tijd is ineens een heel ander ding dan op je horloge, ik loop al een heel seizoen  in Frankrijk. Twaalf weken onderweg, dan kan er dus heel veel heel groot groeien blijkt.      
Langzaam komen en gaan er pelgrims maar er zijn nu ook een aantal blijvertjes waar ook ik toe behoor, een soort pelgrimsfamilie die voor elkaar zorgt en dat voelt fijn en vertrouwd. Je weet dat je altijd wel ergens in elkaars buurt bent.

Samen sliepen we ook in de mooie maar rare gite in Aire-Sur 'lAdour. Heel netjes maar vol regels op briefjes geschreven keurig gelamineerd door de hele hele gite op de muur geplakt. En de hele tijd waren er wijze tips, hij was al 8 keer naar Santiago gelopen en wist en weet ALLES over de route, je voeten, wat je aan moet, dus worden we allemaal gekeurd op ons pelgrimschap. Voor de dag erna geeft hij ons ,blijkt later, onlogische tips voor de route ivm een nieuw aangelegde snelweg. De GR bleek al aangepast zonder dat onze doorgewinterde pelgrim het wist. Ursuline koopt een flesje olie bij hem voor haar voeten, dat ze omdat het zo goed helpt, vandaag weg gooit. Zonder het met elkaar te hebben besproken hebben we het de volgende dag allemaal over zijn zelfde vreemde fratsen. In de ochtend zit hij aan zijn tafeltje bij de deur, met zijn kasboekje en pas als je betaald hebt krijg je een stempel in je credential, brrrrrr met zo'n ondertoontje aardig voor pelgrims. Jammer genoeg komen we er pas later achter dat er in Aire ook een gite communal is.De gites die daarna volgen compenseren gelukkig ons kleine pelgrimsleed.        

Navarrenx waar ik vandaag al vroeg ben aangekomen is een vestingsstadje wat nog behoorlijk goed bewaard is gebleven. Compleet met echte stadspoorten met valhekken erin. Binnen de vestingsmuren staan de huizen los van elkaar met tuinen er omheen, heel anders dan ik ooit heb gezien. Jammer genoeg is het wat bewoners betreft niet meer zo middeleeuws. De ene bar heeft vanavond Europacup en de andere rugby finale op groot beeldscherm. Aan alle kanten joelen en drinken ze tegen elkaar op. Morgen is het Pinksteren en dan kunnen ze allemaal uitslapen, en bij mij......gaat om 5.30 de wekker, het leven van een pelgrim is niet altijd een krentenbol.

vrijdag 14 mei 2010

CSI Moissac.....

14 mei 2010 Moissac – St-Antoin



Nadat ik in Moissac ben vertrokken en m'n zus aan de telefoon heb gehad om haar te feliciteren met haar verjaardag, overkomt me een van de meest bizarre dingen tot nu toe op deze weg. 
De weg Moissac uit kent 2 varianten, een door de bergen en een langs het kanaal. Bijna iedereen kiest het laatste want dat is lekker plat en 4 km korter naar Auvillar. Het nadeel van zo'n kanaal is dat je al snel een beetje achter elkaar aan lijkt te lopen, en elkaar dan weer inhaald of terugziet.
Je loopt dus maar een beetje met elkaar te kletsen en te bonjour-en. Op het kanaal is amper nog vaarverkeer en er drijft dus een heleboel troep in aan takken en blad en andere rommel. Elke boomstronk is dan al snel een, kijk een krokodil of nog grappiger een, kijk daar drijft iemand in het water.
Na de zoveelste krokodil, kijken we met een paar pelgrims nog een even echt goed, en blijkt het echt een mens. Gelukkig is een Duitse pelgrim nog niet helemaal in shock en belt 118 om de politie te waarschuwen. Maar ja wat dan, blijven kijken is zo ongepast, maar weglopen ook. Gelukkig is de politie er heel snel, met 2 auto's en sirenes, en stappen ze uit om in het water te kijken. Daarna vertrekken we want de politie ziet ook wel dat het menes is. Niemand wil er echt bij zijn als ze de man uit het water wordt gehaald. Van andere pelgrims horen we dat er later brandweer is gekomen om de man uit het water te halen, en nog een politieauto met de vrouw van de man voor idetificatie. De route is daarna afgezet en iedereen werdt door de politie omgeleid. Later wordt ons verteld dat de man op donderdag al vermist was en dat hij zelf een einde aan zijn leven heeft gemaakt, op hemelvaart.   

We lopen verder naar Auvillar, en niemand heeft nog de behoefte om alleen te lopen. Ik ontmoet 2 nieuwe Amerikanen van in de 60, John en George ze lopen dit jaar van Moissac naar St-Jean en hebben vorig jaar Le-Puy naar Moissac gelopen. Twee jaar geleden liepen ze van St-Jean naar Santiago  In deze streek is een heleboel fruitteelt, en nu is de aardbeien oogst volop aan de gang. Als we langs een veld lopen bedenk ik dat ik er misschien wel een doosje kan kopen, en precies op dat moment bedenkt een van de jongens die aan het oogsten is dat hij er mij wel een kan geven. Zo loop ik het veld op en hij er af met een doos aardbeien ertussen in. De aardbeien zijn super vers en heel zoet en onderweg met 4 is een doosje zo op. Daarna drinken we in Auvillar koffie in een authentieke Franse blues en jazz bar, het enige open in het stadje en dus vol met pelgrims. Auvillar is een oude handelsstad en de overdekte markthal is dan ook mooi en groot, en heel anders een keer rond, met een soort marktmeestershuisje in het midden.
Bij het verlaten van het stadje komt er een te blij meisje naar ons toe die zich voorsteld met een te gemaakt glimlach als Deborah. Zijn jullie echte pelgrims vraagt ze giegelend, en ze steekt haar hand uit. Ze is in Frankrijk op rondreis met christelijke meisjes doen ook de St-Jacobusroute aan. Zelf komt ze uit Amerika, en ze is blij dat ze mensen treft die Engels spreken legt ze uit. De Amerikanen zien direct wat voor vlees ze in de kuip hebben en duiken verschrikt weg. Heel erg 'in de heer' leggen ze uit. Op mij komt ze over als een Pensilvanian Dutchgirl, die nog steeds zo super sober en gelovig leven. Voor ze op hun geloof ik 17e echt toetreden in de kerk hebben ze een jaar ' vrij' om te zien hoe het er in de samenleving echt aan toe gaat.

Vanaf Auvillar is het nog maar een klein stukje naar St-Antoin waar de gite staat waar ik en nog wat anderen die avond slapen. De gite is een boederij in een gehucht met 8 huizen, en een barretje dat ook winkel en restaurant is. Ik besluit die avond zelf wat te koken, ik ben even klaar met de pelgrim-menu's. Een soepje en een pasta, daarna nog wat lezen en dan .....zzzzzzzzzz